versiering

Verhagen: twijfels Noorden wegen zwaar mee bij besluitvorming CO2-opslag

Afdrukken PDF

De emoties en twijfels in Noord-Nederland over de opslag van CO2 wegen zwaar mee bij de besluitvorming over een mogelijk demonstratieproject. Dat liet minister Maxime Verhagen van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) weten na zijn bezoek op donderdag 3 februari 2011 aan het Noorden. De minister ging die dag in gesprek met burgers, bedrijven en bestuurders in Groningen.


In 2007 benaderden bestuurders en bedrijven uit de noordelijke regio het Rijk over een mogelijk demonstratieproject voor CO2-opslag in de regio. Dit in verband met de vergunningverlening voor de bouw van nieuwe elektriciteitscentrales. Verhagen liet namens het kabinet weten dat bij het besluit over een dergelijk project het draagvlak zwaar zal meewegen. Tegelijkertijd benadrukte hij de kansen die een demonstratieproject kan bieden op het gebied van economie en werkgelegenheid voor de regio.

Dialoog
De minister ging donderdag in gesprek met diverse partijen. “De gesprekken hebben duidelijk gemaakt hoe groot en diep gevoeld de emoties zijn die er hier in het noorden over CO2 leven”, aldus Verhagen. Daarom wil hij open van gedachten wisselen.

Kansen
Naast de kansen op het gebied van banen en inkomsten biedt de ondergrondse opslag van CO2 volgens het kabinet ook een kans om de klimaatdoelstellingen te halen. De techniek is volgens Verhagen nuttig in de periode dat Nederland omschakelt naar andere vormen van energie.

Afweging alternatieven
De komende weken onderzoekt de minister van EL&I alle alternatieven van CO2-opslag, waaronder de opslag van CO2 elders en het hergebruik van CO2 in de tuinbouw en industrie in Noord-Nederland. Daarna neemt hij een besluit over het demonstratieproject. Om voor de Europese subsidie voor CO2-opslag in aanmerking te komen, moet de aanvraag begin mei in Brussel worden ingediend.

Bekijk ook de video van het bezoek van minister Verhagen aan het Noorden

Bron: www.rijskoverheid.nl

 

Europese Unie| Dit project wordt medegefinancierd door het Europees fonds voor regionale ontwikkeling